Je zal je boarding card maar niet vinden. Een reden tot paniek? Hangt er vanaf waar je je bevindt, voor de pascontrole en de ingang tot de taxfree zone of erna. Als ik naar de gate wandel heb ik me dunkt genoeg bewezen wie ik ben, waar ik heen ga en dat ik niet via een of andere smokkelweg het vliegtuig bereikt heb. De kans dat een stewardess mijn boarding card vraagt is fit y fifty. Ze wil me misschien helpen om mijn plaats in het vliegtuig te vinden maar voor meer dan dat zal ze me niet checken.
Stel ik ben dat papiertje kwijt en weet mijn plaatsnummer niet uit het hoofd.
Dat is wat volgens mijn Jozef C. Overkomen is. Die is gewoon op de eerste rij gaan zitten om het later wel uit te vinden. De eerste rij is vaak business Class en dan mag je je geredelijkwijze verwachten aan enige professionaliteit van boordpersoneel. Die moeten mij en de situatie inschatten. Voor je het weet zet je een Frequent Traveler voor schut. Je zou dus de bezetting kunnen controleren: hoeveel stuks je in business hebt en als je onraad ruikt kan je discreet ingrijpen.
Weigert een passagier desgevallend te verkassen dan is het de boordkapitein die beslist. Hangt er natuurlijk van af wat voor briefing die krijgt en ook hoeveel tijd het vliegtuig heeft om de slot (rangorde in het opstijgen) niet te verliezen.. Als die zijn kist niet op tijd in de lucht krijgt dan zwaait er wat. Dat Jozef aan boord stapt van een no thrill maatschappij als Ryan Air maakt het nog prangender dus zegt de captain heel makkelijk laat het de politie maar oplossen want hij schat de situatie in als een zaak van weerspannigheid. En dan gaat de bal aan het rollen. Wi weten in het geval van Jozef dat het begon als een sneeuwballetje en eindigde met een dodelijke lawine.

We zijn een samenleving en gaan er van uit dat iedereen bereid is ons assistentie te verlenen als we in trouble zijn, zelfs wanneer we totaal verward zijn. Daar zijn zelfs beroepen voor uitgevonden: politieagent, dokter, verpleegster bijvoorbeeld maar ook de toevalige voorbijganger is wettelijk gehouden om personen in gevaar te helpen. In het wetboek wordt dat gespecifieerd als ‘ non assistance à personne en danger’. En Français dans le texte want we zijn in Charleroi. Als acht politieagenten je in bedwang houden op het tarmacadam of in een cel dan is er toch één die moet denken: ‘wat zijn we hier aan het doen, waar blijft die dokter, wat staat dat wijf daar te Hitlergroeten’. Veel hangt of zo’n moment af van de groepsdynamiek. Je gaat voor zo’n « akkefietje ». Je reputatie als ‘collega’ toch niet te grabbel gooien. En dan zijn we tot alles in staat en vooral tot ver-onachtzamen van nochtans sprekende détails, alarmsignalen en alarmerende veralgemeningen of schaamtelijke opmerkingen (‘als die het niet haalt dan zal het geen groot verlies zijn’). Je kan er van op aan dat dit die dag gewoon als een fait divers afgehandeld werd en dat met enorme inschattingsfouten. Dermate dat het besef dat er een registrende camera is totaal vervaagd. Moeten we er van uit gaan dat al wie Jozef ‘benaderd’ heeft die dag al eens meer in dergelijk no nonsens scenario belandt is. Is dat ondertussen commun practice geworden. Je zou hopen van niet. Maar om dat dit nooit meer zou gebeuren moet het voorval tot op het been uitgezocht worden. Niemand de deur uit. Want laat ons redelijk wezen all lives matter. Acht minuten een knietje in de nek of een peloton agenten dat je sterfbed ontheiligt. Koekje van het zelfde deeg.

De verantwoordelijkheid van Janbon? Laten we daar niet teveel parlementaire verontwaardiging aan besteden. Alhoewel. Tobback is na Samira’s kussendood opgestapt.
Net als in Amerika zijn we toe aan een zuivering van het ‘apparaat’ politie.

We reizen om (een en ander) af te zien’
We reizen zogezegd om te leren. En van reizen valt er te leren, met name dat wij best af en toe thuis hadden kunnen blijven. Reizen in de eenentwintigste eeuw is duidelijker anders dan de eeuw tevoren. Onderweg zijn is taboe, aankomen is de boodschap. Daarom ergeren we ons steeds meer als de reis niet onmiddellijk naar de bestemming leidt: vertraging, afgelasting of een stel Fransmannen dat met de bagage sjoemelt.In de negentiende eeuw waren er nog echte reizigers. Ze waren onderweg, op doorreis. Ze deden een Grand Tour, en het kwam niet op een paar weken aan.

In de twintigste eeuw werden die reizigers almaar zeldzamer. Schrijver Paul Theroux schreef zijn Great Railway Bazar. Begin de jaren zeventig ondernam hij een poging om met de trein Europa en Azië rond te reizen. In Victoria Station nam hij de Oriënt Express tot Istanbul, stak daar de Bosporus over en spoorde verder naar Tokyo Central, om daarna met de Trans-Siberische Express terug naar Parijs te stomen. Hij was de laatste adept van de Grand Tour, en hij kon met veel stuntwerk nog net de reis afmaken. Hij sloot een tijdperk af. De lokale brandhaarden zorgden ervoor dat de treinreis iets te avontuurlijk werd.Theroux vertelde later dat reizen, ten minste het echte reizen, lang niet zo plezierig is als men wel denkt: Reizen is stilaan een verschrikking aan het worden. Iedereen moet toegeven dat de verplaatsing met het vliegtuig, de trein, de bus, de boot of met de wagen voor allerhande ongemakken zorgt. Het wordt een beetje vervelend, repetitief. Om de zo gegeerde vergezichten en onvergelijkbare ervaringen te halen, moet je eerst door allerlei ongemakken ploeteren. Je krijgt niets voor niets. Er is een dictaat dat stelt dat reizen wel fantastisch is, de sector heeft een tijd lang gepretendeerd dat de vakantie al aan boord van de trein of het vliegtuig begon. Dat hebben ze niet lang volgehouden. Wat is de fun van onchristelijk vroeg opstaan, aanschuiven bij de checkin en vervolgens te horen krijgen dat het vliegtuig veel later of helemaal niet vertrekt? Pas op die dramatische momenten kun je de echte reiziger uit de groep pikken. Die duikt in een boek, maakt af en toe notities en loopt uiteindelijk naar die ene balie waar ze hem een alternatief aan de hand doen. Die heeft niet zitten lezen, maar alle timetables doorgevlooid en is een pasklare oplossing gaan suggereren. De rechtstreekse vlucht naar Athene is afgelast, boek mij dan maar op het vliegtuig voor Kreta en daar zorg ik zelf wel voor een aansluitende vlucht. Die zie je dezelfde namiddag nog op de loopplank van een cruiseschip in Pireaus, net voor het anker licht.

Schadenfreude is het deel van wie een luie namiddag bij de check-in bijvoorbeeld Brussels South airport doorbrengt. Backpackers die voor een prik een ticket hebben versierd en vervolgens de fruitautomaat van Ryanair doen flippen: twintig kilo overgewicht aan 8 Euro per kilo. Of dat koppel dat zijn televisietoestel wil meenemen als handbagage, omdat ze het jaar tevoren gemerkt hebben dat je op die Spaanse toestellen VTM niet kan ontvangen.Toeroperators lachen maar het beste met zichzelf, het zijn de cynici bij uitstek. Sunair-stichter Rudolf van Moerkerke leerde zogezegd zijn volk reizen, maar behalve een trip naar Londen is deze seigneur voor geen enkel vakantiegat te vangen. Van Moerkerke is begonnen met busreizen en hij ontdekte eind de jaren zestig het gat in de reismarkt.

Charters naar Spanje werden de max, met de belofte van goed weer, sangria en paella. Zo begon de uittocht naar de Costas. Onze tantes konden na een paar jaar beter Spaans dan Nederlands spreken en hun barmeubel pulkte uit van de goedkope vermout en sangria. Zij hadden het land van belofte ontdekt.Die eerste pioniers gaven ons het nakijken aan de natte Noordzeekust. Stella Artois, Het Laatste Nieuws en Jo Leemans namen de wijk naar Marbella. Demografisch was die uittocht wel een beetje te duiden: bedienden en middenstanders waren de typeklanten. Officieus koste een week Costa evenveel als een week Blankenberge.

Er was aanvankelijk een beetje durf mee gemoeid: het vliegtuig nemen, Spaans spreken en paella eten. Ja, je moest toch wel een beetje je grenzen verleggen, een flinke dosis transgressie in je lijf hebben. Maar de gebruinde torsos, de verhalen over het eten en de drank die er niets kostten en de sloffen taksvrije sigaretten lokten ook de arbeider naar die verre horizonten. Van de weeromstuit was de kleine burgerij al op zoek naar een alternatief. In de jaren zeventig kwam de Club Med opzetten, en werd het bon ton om op safari te gaan naar Kenya of naar Bali te trekken. Club Med had lange tijd last van een al te exclusief imago en een touroperator als Neckermann trok daar zijn profijt uit. Die durfde ook al eens een vakantiedorp in het midden van de Afrikaanse nowhere te openen. Als het maar heet was. Dat de elektriciteit het liet afweten, tot daar aan toe: de toerist moest zich een beetje in de bush wanen.

De touroperators kochten vliegtuigstoelen en hotelkamers in bulk. De klant wordt nog altijd verzocht zo vroeg mogelijk te boeken, maar men blijft vanaf april met overschot zitten. Niets is zo stockgevoelig als een vliegtuigzetel. Voor het rendement worden de seats geramsjt. Taxistop en later Airstop begonnen hun succesvolle last-minuteaanbiedingen. Die waren vooral gegeerd bij jongeren die er met de rugzak op uittrokken. Die last minutes boeiden vooral de echte avonturiers. De adressen worden nog altijd uitgewisseld waar je voor geen geld naar de andere kant van de wereld kan als je morgenvroeg vertrekt.De afgeprijsde vliegtuigtickets en de deregularisatie bij de lijnvluchten zorgden voor een nieuw reispatroon. Laker en People Express waren de voortrekkers, maar op het oude continent kreeg het Amerikaanse voorbeeld navolging. Virgin maakte naam met de liberalisering van de luchtvaart, maar is ook de kampioen van de verrassingen. Je merkt tegenwoordig weer het verschil tussen een discount ticket en een regulier biljet. Al was het maar dat een IATA-carrier je een drankje, een maaltijd en een overnachting betaalt als het fout gaat. Decennialang had men in de reiswereld packages verkocht, naar het voorbeeld van de meubelindustrie die alleen met setjes werkte: een volledige slaapkamer, een salon, een keuken. Op hetzelfde moment dat jonge trouwers een dure Bang & Olufsen en een antieke commode combineren met goedkope spulletjes van Ikea, doet dat asymmetrisch model ook zijn intrede in de reiswereld. Men wil het allergoedkoopste ticket naar Lanzarote om te gaan duiken. In de bagage zit naast een tentje ook nog eens een hypermoderne stinkdure duikuitrusting. Men wil in de Taj Mahal een fortuin neerleggen voor een suite, maar het ticket moet die meeruitgave compenseren.

n de reiswereld worden de citytrips gepusht: een weekendje Londen, Parijs of Praag. Op die bestemmingen worden de laaggeprijsde stoelen gesleten die tijdens de week door de full fare betalende executives ingenomen worden. In het weekend is de Business Class op het vliegtuig beangstigend leeg. Overigens als u de captains of industry wil ontmoeten, wel die reizen in economy, zolang ze geen lange afstanden moeten vliegen. Reguliere reizigers, en het gros van de moderne handelsreizigers neemt een keer per week het vliegtuig, weten het verschil te maken.De dernier cri van het reizen rekruteert duidelijk in het alternatieve circuit. Reizen is een beetje besmuikt door het pure plezier. Hoe kun je nu gaan zonnen aan een Costa, als de helft van je landgenoten nooit aan vakantie toekomt? Hoe kun je zomaar luilekker lummelen als de helft van de wereld ondervoed is? Er zijn twee mogelijkheden om alsnog gewetensvol op vakantie te gaan. Of je gaat de uitdaging met jezelf aan, of je sluit op reis je medemens in de armen. Waar de oorlog wegtrekt, komt het toerisme in de plaats. De afgelopen jaren moest je naar Beiroet of Vietnam of je ging naar Cuba om het laatste communistische project ter wereld dat nog een beetje glans had te bewonderen. We horen voortaan politiek correct te reizen. (Dat daar nog geen boek over verschenen is!).

De actieve vakantie is een must. Niet zomaar even pingpongen in een clubdorp, maar met wandelschoenen en een vernuftige thermische jekker in Antarctica op expeditie gaan. Het arsenaal geschikte uitrusting en kledij voor een trekking kost een fortuin. Overlevingstochten staan op het menu en voor u het weet springt u in IJsland van geiser tot geiser. Ondertussen zitten de hele grote bazen op een bergtop in Zwitserland uit te blazen met een rits boeken en laten ze zich het comfort van een monnikencel welgevallen. De allergrootste eenvoud wordt duur betaald.We willen vanaf nu onze eigen touroperator zijn. Een ticket boeken en op het internet een geschikt logies vinden is de kunst. Hotels boeien ons niet langer, we zoeken huurwoningen of we gaan bij de boeren logeren. Het zoeken naar het meest exclusieve heeft al lang niet meer met luxe te maken. Bij de millenniumwissel was de meest uitdagende locatie of in de woestijn of aan de Noordpool. Op die laatste bestemming kon je in een iglohotel logeren, terwijl het buiten min 34 graden vroor. Champagne was uit den boze, een bel cognac kon nog net. (Voor hetzelfde geld had men een extra large vrieskast kunnen kopen, waar men nog jaren lang plezier van gehad zou hebben.)

Oproep tot oproer:https://www.facebook.com/groups/219641659132535/?notif_id=1586188053149347&notif_t=groups_member_joined

Als binnen afzienbare tijd het terug naar ‘normal’ afgekondigd wordt, gebeurt dat het best volgens een plannng eb met het uitzetten van een aantal conditios sine qua non’s

We willen geen tweede vrijdagavond-orgie maar een geleidelijke teruggang.

Wat wel of niet terug toegankelijk wordt moet volgens een welbepaalde regie/logica verlopen

Het is nu al onbegrijpelijk dat hobby-diy- en  ijzerwinkels en tuincentra ( zonder dierenvoeding) dicht afficheren. Zeker nu er tijd zat is voor dingen herstellen, huisvlijt allerhande en recycling.

Ik hou het voorbeeld aan omdat we de economie zachtjesaan in de richting van o.a. minder  afval, duurzamere goederen en recyclage moeten drijven.

Het is niet omdat de supermarkten nu schijnbaar ‘ de redding’ zijn dat we onverminderd door moeten gaan met princessenboontjes uit Kenia en aardbeien het hele jaar. De ‘distributiesector’ want zo heten supermarkten moeten de kaart van lokale productie spelen en een bouwstop en zelfs een afslanking doormaken ten voordele van de ‘corner shops’, verpakkingswoede’ aan banden gelegd.

Dit zijn maar losse grepen en we moeten in een platformtekst concrete lijnen uitzetten.

Ik doe een  eerste poging:

  1. We moeten in de onmiddellijke toekomst tonen dat het ons menens is. Dat we verandering willen en dat in plaats van te denken dat we als we maar hard genoeg roepen, de politiek of het beleid het voor ns gaat uitvogelen.
  2. We gaan ons consumptiegedrag grondig moeten aanpassen: eten, reizen, mediagebruik: De consumptiemaatschappij bedient ons immers op onze wenken. Als wij niet eensgezind en massaal anders gaan ‘verbruiken’ dan  de aanbieders  niet veranderen.
  3. De bestaande economie gewoon terug opstarten, werknemers onder druk zetten in naam van de relance ( ‘de achterstand inhalen’) is uit den boze. Die economie moet herdacht worden en navenant de tewerkstelling
  4. Jobs, jobs, jobs koste wat koste; no passeran. Elke bijdrage tot het verhogen van de welvaart en het welzijn wordt  vergoed en dus voortaan betaald. Betalend vrijwilligerswerk, huisarbeid, mantelzorg wordt dus ook in het Bruto Nationaal Product verrekend ( en belast en bijdragend tot sociale zekerheid-

« Jaren research,  maanden zelfopgelegde quarantaine, verblijf in intensive care na opzettelijke besmetting met Sars. Allemaal een maat voor niets. De actualiteit is me voorbijgesneld. De werkelijkheid overtreft de fantasie ». Aan het woord is Jostein Beyers een  beloftevolle auteur die zijn eerste boek ging publiceren , een fantasy novel, over de wereld na een verschrikkelijke pandemie. « Ik had het niet zien aankomen.  Eind december  was er de eerste Corona-uitbraak  in China. Dat leek een meevaller maar uiteindelijk hebben die Chinezen heelder hoofdstukken uit mijn script schaamteloos gekopieerd. Copyrights, auteursrechten, mijn hoela voor je het weet ligt er een bootleg van je boek in iedere Blokker. Nou dat leek even te bedaren tot er een kopie opdook in Italië. En toen wist ik het : die veertig prints voor de uitgevers, daar kon ik mijn reet mee afvegen. Nee en dan moest je die virologen horen die ik medio 2017 interviewde : «  Je bakt het wel heel bruin, het komt heus niet zo ver, maar stuur een boek als het uit is ». Alles stond in het boek, hamsteren, opsnijden op sociale media, balkonserenades,  het mondmaskerdebat, ophokplicht  behalve dan dat er uitgerekend wc-papier gehamsterd zou worden. Dat wou ik de lezer niet in zijn ram reeten. Wat ik nog kan doen, wel ik heb alvast bij de FOD een auteursrechterlijke klacht ingediend wegens plagiaat »

 

Bent u een believer of een non-believer ? Dat was de trend-vraag die zich deze week doorzette. Was de communicatie op de” sociale media tot en met nu een minestrone van home-entertainment, digitale knuffels, jeugdsnapshots en muzikale ontboezemingen geweest dan klaarde die zich tot een lettersoep waar het woord “mondmasker” bovendreef.

Maar eerst een disclaimer. U zal mij niet horen zeggen dat het mondmasker non-sense of een must is.  Nee, want dan ik beter meteen ophouden, mijn facebookaccount hermetisch afsluiten en de voortuin alvast omspitten om de karrevrachten mest die er aan gaan komen onder te delven

Kon je tot nu toe prettig van mening verschillen over de ophokplicht, herd immunity, vitamine C of al dan niet joggen dan kunnen we die ‘we agree to disagree’ inzake het mondmasker maar beter op stal zetten.

Na de  Schadenfreude inzake nep-, stof- en verfmaskers, Magie’s aanpak van de leveringen, beschimmelde verpakkingen in bananenadozen en enige hilariteit inzake en de monddoek-huisvlijt die zich van Vlaanderen meester maakte werd het mondmasker de inzet van een bitse woordenstrijd.  Het item werd sinds begin deze week  de inzet tussen believers en non believers.

De ene stelde dat dragers ervan zich aanstelden en het nut zich hoogstens beperkte tot het niet verder besmetten van de kluit maar geen enkele bescherming voor de drager in kwestie garandeerde. De andere, de believer, bombardeerde het mond-en neusdoek tot een must-have en een essentieel attribuut dat in geen enkele anti-covid-19-kit mocht ontbreken. Een kwestie van  burgerzin en hoffelijkheid . Your reputation was at stake.

Believer en non believer zijn oorspronkelijk noties die slaan op al dan niet in een god geloven. Het bruggetje naar het lemma hoofddoek is snel gemaakt. Trek die hoofdoek naar beneden over je neus, vervang het woord  nikab in om het even welke internetdiscussie en je krijgt verhelderende inzichten al moet je af en toe de argumenten  van de ene partij wisselen met de andere.

 Neem nu de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens dat in 2017 het verbod op het hoofddoek aanvaardde omdat – wij citeren “ het in een democratische maatschappij noodzakelijk kan zijn om de interactie en communicatie tussen individuen te beschermen”. Een opsteker voor de believers van het mondoek die we dus bij de non-believers van het hoofdoek weggritselen. Met wat knip- en plakwerk kunnen ze zich bij het hof in Straatsburg heel wat werk besparen als er een mondmasker-case zou ingeleid worden.

Opvallend is hoeveel en hoezeer facebookers het achterste van hun tong laten zien, ongeacht of ze het mondmasker opzetten of niet en mekaar  hun argumenten in de strot duwen. Die heftigheid mag verbazen al gaat het natuurlijk over een kwestie van leven of dood.

Zolang het dispuut tot facebook en consoorten beperkt blijft , alhoewel die enige geloofwaardigheid genieten, lijkt er niets aan de hand maar de knuppel uit het sociale legbatterijen dreigt nu ook gebruikt te worden in het officiële media-hoenderhok.

Getuige daarvan de uithaal van opperhaantje Siegfried Bracke naar Marc van Ranst. Die heeft ons volgens Bracke informatie inzake het mondmasker onthouden en mag zijn status van wetenschapper inleveren om voortaan als een ordinaire influencer door het leven te gaan. Een gevaarlijk voorbeeld van cross contamination tussen sociale en officiële media.

Zo dreigt het mondmasker zijn doel- ons te beschermen- compleet voorbij te schieten en de media epidemisch aan te steken.

Bent u een believer of een non-believer ? Dat was de trend-vraag die zich deze week doorzette. Was de communicatie op de” sociale media tot en met nu een minestrone van home-entertainment, digitale knuffels, jeugdsnapshots en muzikale ontboezemingen geweest dan klaarde die zich tot een lettersoep waar het woord “mondmasker” bovendreef.

Maar eerst een disclaimer. U zal mij niet horen zeggen dat het mondmasker non-sense of een must is.  Nee, want dan ik beter meteen ophouden, mijn facebookaccount hermetisch afsluiten en de voortuin alvast omspitten om de karrevrachten mest die er aan gaan komen onder te delven

Kon je tot nu toe prettig van mening verschillen over de ophokplicht, herd immunity, vitamine C of al dan niet joggen dan kunnen we die ‘we agree to disagree’ inzake het mondmasker maar beter op stal zetten.

Na de  Schadenfreude inzake nep-, stof- en verfmaskers, Magie’s aanpak van de leveringen, beschimmelde verpakkingen in bananenadozen en enige hilariteit inzake en de monddoek-huisvlijt die zich van Vlaanderen meester maakte werd het mondmasker de inzet van een bitse woordenstrijd.  Het item werd sinds begin deze week  de inzet tussen believers en non believers.

De ene stelde dat dragers ervan zich aanstelden en het nut zich hoogstens beperkte tot het niet verder besmetten van de kluit maar geen enkele bescherming voor de drager in kwestie garandeerde. De andere, de believer, bombardeerde het mond-en neusdoek tot een must-have en een essentieel attribuut dat in geen enkele anti-covid-19-kit mocht ontbreken. Een kwestie van  burgerzin en hoffelijkheid . Your reputation was at stake.

Believer en non believer zijn oorspronkelijk noties die slaan op al dan niet in een god geloven. Het bruggetje naar het lemma hoofddoek is snel gemaakt. Trek die hoofdoek naar beneden over je neus, vervang het woord  nikab in om het even welke internetdiscussie en je krijgt verhelderende inzichten al moet je af en toe de argumenten  van de ene partij wisselen met de andere.

 Neem nu de uitspraak van het Europees hof voor de rechten van de mens dat in 2017 het verbod op het hoofddoek aanvaardde omdat – wij citeren “ het in een democratische maatschappij noodzakelijk kan zijn om de interactie en communicatie tussen individuen te beschermen”. Een opsteker voor de believers van het mondoek die we dus bij de non-believers van het hoofdoek weggritselen. Met wat knip- en plakwerk kunnen ze zich bij het hof in Straatsburg heel wat werk besparen als er een mondmasker-case zou ingeleid worden.

Opvallend is hoeveel en hoezeer facebookers het achterste van hun tong laten zien, ongeacht of ze het mondmasker opzetten of niet en mekaar  hun argumenten in de strot duwen. Die heftigheid mag verbazen al gaat het natuurlijk over een kwestie van leven of dood.

Zolang het dispuut tot facebook en consoorten beperkt blijft , alhoewel die enige geloofwaardigheid genieten, lijkt er niets aan de hand maar de knuppel uit het sociale legbatterijen dreigt nu ook gebruikt te worden in het officiële media-hoenderhok.

Getuige daarvan de uithaal van opperhaantje Siegfried Bracke naar Marc van Ranst. Die heeft ons volgens Bracke informatie inzake het mondmasker onthouden en mag zijn status van wetenschapper inleveren om voortaan als een ordinaire influencer door het leven te gaan. Een gevaarlijk voorbeeld van cross contamination tussen sociale en officiële media.

Zo dreigt het mondmasker zijn doel- ons te beschermen- compleet voorbij te schieten en de media epidemisch aan te steken.

Johan Anthierens stierf twintig jaar geleden aan de gevolgen van het syndroom van Hodgkin, lymfeklierkanker. Hij was 62 jaar. Eerder doorstond hij met succes een hele intense therapie waarbij het leek alsof hij de kanker overwonnen had. Maar na een terugval, goed een maand terug, bleek de strijd beslist: de beeldenstormer werd naar de eeuwigheid teruggefloten.Met de dood van Johan Anthierens, kort na het overlijden van de oudste broer Jef, zijn de Daltons van de Vlaamse pers gedecimeerd. Karel Anthierens is de enige overlevende van het ooit legendarische schrijvende driespan. Johan was de jongste van alle Anthierensen, een laatkomertje in een kroostrijk gezin, in de wieg gelegd als oproerkraaier. De broers ontdekten het Franse chanson en de strips van Robbedoes en Kuifje die ze s avonds onder de lakens plachten te lezen.Jef en Karel vonden snel hun weg in de journalistiek, maar Johan – die uiteindelijk in heel zijn leven voor 15 verschillende kranten en tijdschriften zou werken – moest wat aangepord worden. Hij volgde een kunstopleiding aan Sint-Lucas, dweepte met Picasso, en leek aanvankelijk een jonge Vlaamsgezinde jongen met een ringbaard te zullen worden. Anthierens heeft zijn hele leven met zijn talent gewoekerd. Zijn journalistieke carrière begon bij Humoradio waar hij, onder de vleugels van Jef, meteen tot chef vormgeving gebombardeerd werd. Ik trok een paar lijnen op papier en iemand anders probeerde dat dan te ontcijferen. Maar al gauw zaten de redacteurs achter mij aan, hun schrijfmachines in de aanslag.Anthierens werkte bij een rist van bladen, onder andere bij de Post en Mimo, begon op de radio met de Charme van het chanson en brak op latere leeftijd pas echt door toen hij zijn onvergelijkbare column bij Knack begon. In 1971 begon uitgever Willy Denolf met Knack, Frans Verleyen werd er twee jaar later hoofdredacteur en Anthierens overtuigde hem van de noodzaak van een televisiecolumn. Men moet het Verleyen nageven dat hij dat vreemde talent, die jongen die op persconferenties altijd de verkeerde vragen stelde, onder zijn hoede nam.Eerst schreef Anthierens in de televisiebladzijden waar hij onder het pseudoniem Wounded Knee de draak stak met de omroepsters en de coryfeeën van de openbare omroep. Verleyen suggereerde Anthierens voluit met zijn naam te tekenen. Vanaf 1975 begon hij met een drie paginas tellende column, Ooggetuige. Ooggetuige was misschien wel de eerste voldragen column in Vlaanderen waarbij de ik-gerichte schrijver de navelstaarderij – dankzij voldoende ironie, sarcasme en taalvirtuositeit – wist te verheffen tot een vaak aandoenlijke of juist snerpende kroniek.Ter redactie, ondergetekende zat daar als archivaris in een ideale uitkijkpost, was Anthierens een joviale maar ook gedecideerde redacteur. Wijlen Johan Struye kwalificeerde Ooggetuige als zijnde van een stuitende onnozelheid. Struye dook tot zijn ontzetting almaar vaker op in de kroniek, als de dandy met de fietsspelden, wat hem laconieke commentaren opleverde bij zijn werk als Wetstraatspecialist. De rest van de redactie verkneukelde zich.Anthierens was een chroniqueur die alle cursiefjesschrijvers het nakijken gaf: spits in de observatie, barok en toch elegant in de taal, gedreven. In 1977, op het toppunt van zijn succes, hadden we het genoegen hem naar Leuven mee te tronen voor een interview in de Grote Aula. Anthierens had bij dat duizendkoppige studentenpubliek een regen van tomaten en eieren verwacht, maar de koekenpan die hij in zijn boekentas had meegebracht, bleef ongebruikt. Ten onrechte stelt men dat hij zijn pen in de vitriool dopte, neen, veeleer deed hij dat in zijn eigen bloed, zweet en tranen. Zelf zei hij: Ik bedek de rauwe wonden onder de grove mantel van het sarcasme. Anthierens had privé wat katten te geselen en zijn column bij Knack dreef aanvankelijk op de kerosine die een moeilijke echtscheiding in zijn brandstoftank liet sijpelen. De ooit lijzige Anthierens werd een vlammende chroniqueur.Anthierens toonde voor het eerst in Vlaanderen hoe een man zonder God of Gebod, Ni Dieu, Ni Maître, kon leven als een normaal en succesvol mens. Anthierens kon schrijven over de kersenpluk in zijn tuin in Asse, waar de bomen zwaar doorwogen. Hij kon ontroerende portretten maken over zijn kinderen en als geen ander de vertedering verwoorden die vrouwen bij hem losweekten. Hij was verantwoordelijk voor een paar zinnen die tot vandaag in ons geheugen gebrand staan: Door het gaas van mannenwimpers worden vrouwen dag en nacht bespied. Dat was de tedere Johan Anthierens die niet Playboy maar Elle doorbladerde en samen met Brel zei dat hij de vrouwen nooit helemaal zou begrijpen. Anthierens was de man die alle invallen in een klein boekje noteerde en vaak als laatste man op de redactie bleef zitten. Niet zelden moest de chauffeur van Roularta, die s ochtends de kopij kwam ophalen, nog even over de schouder van de meester meekijken hoe een laatste adjectief tegen het licht gehouden werd. Hij was streng voor anderen, maar hij was ook streng voor zichzelf, als journalist, vandaar de uitspraak: Objectiviteit, objectiviteit is het schaamblad van de journalist voor zijn castratie.Zijn aanwezigheid bij Knack heeft het karakter van het blad grondig mee bepaald. Verleyen en vader Willy en zoon Rik Denolf hebben Anthierens nooit een strobreed in de weg gelegd. Verleyen pleitte altijd voor de grootste diversiteit van karakters op zijn redactie. Bij Knack stroomden de vernietigende lezersbrieven binnen, maar Anthierens bleef zijn gang gaan.Zijn stijl was aanstekelijk en zette menig neofiet, waaronder ondergetekende, tot plagiaat en imitatie aan. Het signaal dat Anthierens gaf, en dat hij in zijn latere publicaties nog veel duidelijker uitzette, was dat er plaats was voor een journalistiek die de details kon uitpluizen om zo tot de essentie te komen. Anthierens was allesbehalve een bellettrist, hij werkte nachtenlang aan zijn tekst tot ieder woord stond waar het hoorde te staan en betekende wat het moest betekenen. Anthierens ontwikkelde een tussenvorm tussen journalistiek en literatuur, maar hij aarzelde om zijn kronieken te bundelen. Van Claus is er de boutade dat Anthierens op zijn eentje beter schreef dan alle scribenten bij De Bezige Bij samen. Enkele keren was wat hij schreef mooier dan de werkelijkheid die hem evenmin als anderen spaarde. Het schrijven was ook een bezweren en boetseren van de werkelijkheid waarmee hij constant in onmin leefde. Anthierens proefde midden de jaren 70 met volle teugen van de bekendheid die zijn wekelijks verschijnen in de Wies Andersen Show hem verleende. De populariteit die hij daarmee bereikte, is alleen overtroffen door de opgang van Mark Uytterhoeven bij Namen Noemen. Anthierens zat veilig weggedoken in het panel van waaruit hij de quizmaster kon tackelen. Hij was zoals hij het op televisie ooit stelde gelukkig gescheiden en hertrouwde met Elisabeth, de vrouw die tussen de regels van zijn proza kon lezen. Het werd een levenslange amourette die vorige maandag haar hoogtepunt beleefde met een Johan Anthierens die in de armen van een koesterende vrouw ontsliep. De fotos van Herman Selleslaghs uit de jaren 70 getuigen van die gedomesticeerde amourette.Aan de periode bij Knack kwam in 1982 een einde toen Anthierens met De Zwijger eindelijk een satirisch blad in Vlaanderen dacht te kunnen maken. Dat was een misrekening. Anthierens gaf dat later zelf overvloedig toe. Vlaanderen is daar nooit rijp voor geweest, en Anthierens was zelf te veel einzelgänger om een equipe te trekken.Anthierens kwam in een periode van vrije val, en berichtte alleen nog via een eigen nieuwsbrief – en wat het publiek niet weet: Johan Anthierens solliciteerde in alle deemoed bij bladen en kranten. Niemand was nog geïnteresseerd in dit uitgesproken (!) talent. Anthierens had op te veel zere tenen getrapt, had zijn legende tegen zich: een onberekenbaar talent. Wat men hem niet vergaf, was dat hij als eerste het parool in dit vak schrijven we nooit over elkaar glansrijk doorbroken had. Zoals voor Willem de Zwijger was zijn devies Ontrouw ben ik pas trouw. Schande over het beroep, dat is het enige wat je daarover kan zeggen. Maar Anthierens vocht en ontbond duivels die hij nog niet ontbonden had. Het grote prachtige landhuis in Dilbeek ruilde hij voor een LAT-relatie met een honk op de Luchtvaartbolwerksquare in Brussel. Hij begon aan een parttime kluizenaarsbestaan, werkte maandenlang aan boekenprojecten die alle doorkruist werden door dat ene boek dat er moest komen. Voor televisie had hij De regenwegen van Brel gemaakt, waarvan hij in stilte hoopte dat het nooit opnieuw zou worden uitgezonden. Met zijn Brel-boek moest hij revanche nemen op zichzelf. In het voetspoor van zijn held deed hij de eenzame reis naar de Markiezeneilanden over en botste, terug in Vlaanderen, zowaar op het echte Marieke uit het chanson van Brel. Het spoor van zijn andere mentor, Willem Elsschot, zou hij met dezelfde ijver volgen. In Het ridderspoor volgen we een Anthierens die met ingehouden adem de trappen bestijgt van het appartement in Brussel waar Elsschot een tijd verbleef. Tot verbazing van de nieuwe bewoners begon hij alle luiken te monsteren om uiteindelijk alleen nog wat stof te vinden dat de illustere vorige bewoner achtergelaten had. De zestiger kon nog speuren met een jongensachtige onverzettelijkheid. Hij zou niet rusten voor hij de mythe van Irma Laplace ontluisterd had en het koningschap tot zijn ware proportie had herleid: die van een postzegel. Wie hem wat beter kende, ontmoette een man die evengoed een bezorgde vader, een vertederde grootvader, een attente echtgenoot en een onvoorwaardelijke vriend kon zijn. Johan Anthierens was nauwgezet, gesteld op etiquette, hoffelijk en vrij van rancune. Het heeft hem wel ontzettend gestoord (zeg maar pijn gedaan) dat hij op Radio 1 door de onstandvastigheid van de top zo krap in de papieren kwam voor zijn Brel-boek. Misschien was hij zelf niet iemand die de anderen zomaar kon inpakken, maar men had hem in zijn laatste jaren soms met wat meer egards kunnen behandelen. De belangstelling rond zijn ziekte en de voorlopige overwinning die hij er op haalde, openden (rijkelijk laat) een aantal mensen de ogen. Hier was iemand aan het woord die ruiterlijk voor zijn fouten uitkwam, maar voor de rest een prachtig parcours had afgelegd. Nooit heeft een journalist zo getuigenis afgelegd van zijn bevlogenheden, het achterste van zijn tong en het binnenste van zijn ziel laten zien. De anarchist, de republikein, de beeldenstormer, de Don Quichotte schreef met een aandrift die de lezer soms wel eens een ach, moet dat allemaal-gevoel ontlokte, maar het was Johan Anthierens om terechte burgerlijke ongehoorzaamheid te doen. Aan selectieve verontwaardiging en burgermanszin had hij een broertje dood. Alles droeg een eigen imprimatur: Je persiste et je signe.